Syndroom van asperger

Kinderen met het syndroom van Asperger hebben dezelfde kenmerken als autisme. Typerend voor deze kinderen is dat ze een normale of zelfs bovengemiddelde intelligentie hebben. De taalontwikkeling is ook niet verstoord. Sterker nog: ze hebben vaak op jonge leeftijd al een zeer volwassen taalgebruik. Hiermee verbloemen ze vaak hun onvermogen om taal en sociale situaties goed te begrijpen. Ze doen dit niet expres, maar het is hun manier om te overleven in een voor hen onoverzichtelijke wereld.

Kinderen met het syndroom van Asperger praten wel tegen iemand, maar niet met iemand. Ze spreken vaak met een onnatuurlijke, monotone of ouwelijke stem. Hierdoor praten ze deftig en als volwassenen. Het kind lijkt soms een kleine professor. Taal vatten ze vaak letterlijk op en grappen worden niet begrepen. Zelf hebben deze kinderen veelal een bijzonder gevoel voor humor. In organiseren en problemen oplossen zijn ze slecht. Desondanks hebben kinderen met het syndroom van Asperger op school minder kans op leermoeilijkheden dan kinderen met andere autistische stoornissen.

Sommige kinderen met het syndroom van Asperger zijn weinig flexibel. Zij vinden het moeilijk van een idee af te stappen en dit los te laten. Soms weigeren ze zelfs iets te leren wat buiten hun interesse ligt. Daarnaast mogen ze van zichzelf geen fouten maken. Dit veroorzaakt vaak spanning en frustraties, een laag zelfbeeld en woede-uitbarstingen. Deze kinderen ervaren prikkels van buitenaf (geluid, licht, aanraking, geuren, kou en warmte) erg sterk. Kinderen met het syndroom van Asperger lijken bijna nooit ontspannen te zijn en zijn naïef. Er is gemakkelijk misbruik van hun te maken, want zij doorzien nauwelijks of anderen liegen of hen proberen te misleiden.